Op internet en in de literatuur zijn verschillende definities van motoriek te vinden. Vaak wordt motoriek beschreven als ‘de mate van beweeglijkheid’ (van Dale) en het vermogen om te bewegen (Wikepedia).  In het boek Perceptual and motor development (1983) van Harriet G. Williams wordt de volgende definitie van motoriek gegeven: ‘De processen en structuren welke de daadwerkelijke uitvoering van motorische of bewegingsgedragingen coördineren en controleren. Het betreft in het bijzonder de regulatie van actuele bewegingsactiviteiten van het lichaam die door spierwerking tot stand komen en die een zekere simultane, tijdruimtelijke coördinatie vereisen van een aantal lichaamssegmenten. De motoriek omvat al datgene wat verantwoordelijk is voor de willekeurige of reflexmatige uitvoering van bewegingsactiviteiten’.

In de literatuur wordt over het algemeen de motoriek verder onderverdeeld in de grove of grote motoriek en de fijne of kleine motoriek. In de literatuur is geen eenduidige definitie te vinden van fijne en/of grove motoriek. In het boek Perceptual and motor development (1983) van Harriet G. Williams  wordt de volgende definitie van fijne motoriek (fijnmotorisch gedrag) gegeven: ‘Het gecoördineerd bewegen van individuele lichaamssegmenten, in het bijzonder het gebruik van handen en vingers in het manipuleren van objecten. Men spreekt hier ook wel van ooghandcoördinatie. Tot het fijnmotorisch gedrag behoren activiteiten als kleien, puzzelen, schrijven en knippen’. In de volksmond wordt met de fijne motoriek  de motoriek van de hand, vingers en pols bedoeld. Grotere bewegingen met het gehele lichaam valt onder de grove motoriek.
 
Een definitie van de fijnmotorische ontwikkeling uit het boek ‘Kind in ontwikkeling’ van Bilo en Voorhoeve luidt: ‘De fijnmotorische ontwikkeling omvat het gebruik van de handen en vingers in de fase voor het grijpen, bij het grijpen zelf en bij het manipuleren van een voorwerp. De ontwikkeling van het kijken, met andere woorden het grijpen en onderzoeken met de ogen, gaat hieraan vooraf.’ In het boek wordt beschreven dat kinderen voordat zij gaan grijpen eerst leren om te zien (het fixeren van en voorwerp met de ogen), te begrijpen (het verwerken van een visuele prikkel door de hersenen) en te reiken (het bewegen van de armen naar het voorwerp). Zoals hierboven beschreven is de ontwikkeling van het kijkgedrag, de ontwikkeling van het reiken (grove motoriek) en de hersenverwerking niet los te zien van de fijnmotorische ontwikkeling.

Verschillende ontwikkelingsfasen en/of motorische mijlpalen zijn te onderscheiden in de fijnmotorische ontwikkeling. Lees op de volgende pagina’s meer over:

Kinderen kunnen problemen ondervinden bij het uitvoeren van motorische taken zoals schrijven, tekenen, puzzelen, knutselen, veters strikken en bijvoorbeeld een boterham smeren. Dit kan komen door problemen in de (fijn)motorische ontwikkeling en of een gebrek aan motorische vaardigheid. Lees op de volgende pagina’s meer over: